‘Af en toe een steen in de vijver gooien kan heel nuttig zijn’

Lieke Thesingh

Lieke Thesingh
Huidige functie: Voorzitter BBO (Breed bestuurlijk overleg PO)
Relatie met OOG: als stadsdeelwethouder in Amsterdam Zuid en Oost (2002-2014) veel van de diensten van OOG gebruik gemaakt; nu: administratie BBO  

Als samenwerkende stadsdelen hadden we vaak bonje met de centrale stad”, vertelt Lieke Thesingh. “Ze wilden zich met alles bemoeien en liefst alles centraal regelen. Wij huurden dan Dick Rasenberg of Gerard van de Burgwal in van OOG. Dat waren onze vaste kompanen om dingen mee uit te werken, goede projectleiders ook. We hadden er plezier in om af en toe wat stenen in de vijver te gooien, een beetje actie te voeren wanneer dat nodig was om de centrale stad wat terug te dringen.”
Onderwerpen die speelden in haar tijd waren onder meer het lerarentekort (toen ook al), de kwaliteit van het onderwijs met een discussie over kleine scholen, en de voor­tijdige schoolverlaters. “Samen met Ahmed Aboutaleb (toentertijd de Amsterdamse wethouder onderwijs, red.) hebben we het probleem van de schoolverlaters goed in beeld gekregen en konden we gericht actie ondernemen. We brachten alle partners bij elkaar In de ambtswoning van de burgemeester en ze mochten er pas uit als het ­probleem was opgelost. De scholen moesten met hun ­billen bloot: we wilden een meldingsplicht. Dat lag gevoelig omdat scholen altijd in concurrentie zijn met elkaar. Ze ­willen hun verzuimcijfers dus liever voor zichzelf houden. Het ROC ging als eerste overstag. Daarna volgde de rest.”  

‘Ik heb altijd gevonden dat de mensen op de werkvloer betere ideeën hebben dan de ambtenaren uit het systeem.’

Denken vanuit mensen

Een ander ingrijpend proces was de verzelfstandiging van het openbaar onderwijs, dat toen nog onder de stadsdelen viel. Lieke Thesingh zag daar het belang wel van in maar in de stadsdeelraad lag het moeilijk. “Belangrijk voor de kwaliteit vond ik vooral dat er een zekere schaalgrootte werd bereikt. Verder vond ik het van belang niet teveel vanuit systemen te denken maar zoveel mogelijk vanuit de mensen. Dat is de rode draad geweest door mijn hele carrière. Ik heb altijd gevonden dat de mensen op de werkvloer ­betere ideeën hebben dan de ambtenaren uit het systeem. En dat je mensen dus altijd serieus moet nemen.”
Inmiddels zijn de stadsdelen opgeheven en ligt alle macht weer bij de centrale stad. Vindt ze dat jammer? “Ja, ik ben geen voorstander van centralisering. Dat wil niet zeggen dat er niets moest veranderen. Iedereen bemoeide zich overal mee. Het was hard nodig om te komen tot gezamenlijk beleid onder regie van de centrale stad. Maar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering had bij de stadsdelen kunnen blijven. Zij staan dicht bij de mensen. Nu is het veel technocratischer geworden.” 

Voeling met de buurten

Eenzelfde ontwikkeling merkt ze bij OOG: “De tijd dat ze echt onze zakenpartners waren, was het leukst. Af en toe een steen in de vijver gooien kan heel nuttig zijn. Maar OOG is ook gewoon een dienstverlenend bedrijf en is zakelijker geworden. Wat mij betreft mogen ze wel weer wat zichtbaarder worden in de stad. Het is goed om af en toe even de boel op te schudden. Daar zijn bedrijven als OOG voor nodig.”
Het grootste probleem op dit moment in de stad vindt ze de tweedeling: aan de ene kant de mensen met wie het heel erg goed gaat, aan de andere kant de achterblijvers. Om daar echt iets aan te doen staat de stad op een te grote afstand, vindt ze. “We hebben een goede wethouder onderwijs (Marjolein Moorman, red.), maar de voeling met de buurten ontbreekt. Scholen vormen daarin het middelpunt. Misschien hebben we weer stadsdelen nodig om dichter bij de mensen te kunnen staan.”

Top